First love sometimes dies

Ik vermoedde meteen al dat hij homo was, maar tijdens onze weken samen zei hij dat hij zowel op mannen als vrouwen viel. We waren op het eiland waar ik van jongs af aan iedere zomer kwam. Dat jaar was ik dertien, mijn borsten waren gegroeid en ik was voor het eerst ongesteld geworden: rode vlekken in mijn bikinibroekje die de zee traag wegspoelde. Alle jaren daarvoor was ik alleen met mijn moeder geweest. We hadden samen in een kleine tent geslapen, lange fietstochten gemaakt door het bos, op Shetlanders door de duinen gereden tot de zon viel en met hoge laarzen over het wad gelopen. Dat jaar was mijn moeders nieuwe vriend voor het eerst mee samen met zijn dochter S. Zij was vijf jaar ouder dan ik en leek in niets op mij. Ze nam me de eerste avond mee naar een geheime plek in het bos waar vijf jongens haar opwachtten, samen rookten ze hasj en lachten loom in het donker. Ik was bang voor alles wat met drugs te maken had, maar durfde niet in mijn eentje terug naar onze camping te lopen. Het bos was schimmig en koud en ik wilde niet bekend staan als watje. Dus ik bleef zitten, werd een beetje stoned en plaste in mijn broek omdat ik niet halfnaakt gehurkt wilde plassen waar de anderen bij waren. Na die eerste avond loog ik tegen mijn moeder dat ik liever vroeg naar bed ging, alles om niet met S. en haar harem op te trekken.
De derde dag ontmoette ik I. Hij had een doorzichtige slotjesbeugel, een brede mond – hij leek een beetje op een kikker – overal sproeten en een goudgele bos krullen. Hij was een klasgenoot van S., ook vijf jaar ouder en ik hoopte vanaf het eerste moment dat ik met hem sprak dat hij meer van meisjes hield dan van jongens. De jongen waar hij eerder die week zijn pijlen op had gezet, was de ochtend dat we elkaar ontmoetten, met de boot vertrokken. I. had een beetje moeten huilen, voelde zich waarschijnlijk eenzaam en dat had als gevolg dat hij vanaf die dag zijn volledige aandacht op mij richtte. We werden vrienden. Hij hield mijn hand vast terwijl we ’s ochtends vroeg naar de zee wandelden en in onze vieze onderbroek van de dag ervoor gingen zwemmen. De camping en het strand waren stil, de zee koud. Daarna slopen we samen de douches binnen en wasten onze lijven onder dezelfde lauwe straal water. Soms kreeg hij een stijve piemel als we elkaar inzeepten, mijn turquoise bikini broekje zat vast tussen mijn billen. Zijn grote handen masseerden hard mijn schouderbladen, zijn plakkerige lijf voelde vertrouwd. Drie weken waren we onafscheidelijk. We luisterden iedere dag dezelfde liedjes op mijn oude MP3-speler. Soms moesten we eerst dertig liedjes skippen tot we bij dat ene liedje kwamen. Ik weet de titel niet meer, maar soms word ik wakker met één zin in mijn hoofd.
We lagen neuriënd op het zachte zand, onze vingers in elkaar en boven ons de grijsblauwe wolken. ‘S nachts slopen we de voortent van mijn moeder en haar vriend binnen opzoek naar eten. Bij gebrek aan iets beters, lieten we onze vingers verdwijnen in potten Nutella en pindakaas.  We dansten bij vuurtjes midden op het strand – ook al waren ze verboden. Eens moesten we rennen voor de politie. Ik rende de longen uit mijn lijf en lag even laten buiten adem in mijn eenpersoons compartiment. Kopersmaak in mijn mond, mijn hand in mijn onderbroek. Ik bleef jaren fantaseren over die tijd met I.  Hoe we samen dansten in de regen voor het raam van een vol buurtcafé. Hitjes aanvragen in de enige discotheek op het eiland. Zijn hand onder mijn blouseje. Zijn zoute lippen in mijn nek. Voor de vierde keer binnen een week hoorde ik het liedje dat we daar luisterden in de supermarkt. Uit nostalgie kocht ik potten chocopasta en pindakaas en een afgeprijsde bikinitop die me deed denken aan het lapje stof dat ik als dertienjarige had gedragen. En ik googelde hem. Nul hits, alsof hij nooit bestaan had.