Waar het mis ging

Waar het mis ging:

ik weet het niet. Ik dacht eigenlijk dat we – of ik hoopte dat. Ik kan je nog steeds niet schrijven of een zin afmaken zelfs, omdat ik bang ben dat ik iets tekort doe. Jou tekort doe of mezelf, onze tijd samen.

Je weet niet van de nachten niet slapen, alleen in bed. Dat ik toen een tijdje echt wenste je meisje te zijn. Dat weet je geloof ik niet.
Jij was al met haar en gewoon, met je gezin allang een samen. En dat ik dat ook wilde met jou en je zachte handen en je goeie hoofd.

Dat ik ’s ochtends nooit naast je wakker ben geworden gaf niet toen. Ik had al zoveel van je. Alle uren samen op werk. De gasten ’s avonds laat voldaan, napratend op straat met een laatste sigaret, wij in de damp van vuile vaat. Mijn haren in slierten om m’n hoofd, je lippen onder mijn schort. En de kraan stond open – overal dikke druppels water, je bril beslagen. Er was muziek en we dansten en we zongen en vielen op de grond. En schrokken dan veel later wakker.

Onze zomer samen. Mijn piepfiets, jouw rugzak vol Franse gesmolten kaas. Je voerde me brood en drank en ik zwom dan rondjes om je heen in een nog veel te koud meer.
Op mijn buik met half gesloten ogen liet ik je. Kiezelstenen in mijn maag, we spraken over alles. Alles. Bij mij kon je lachen en huilen, zei je. Alleen ik bracht je naar een andere wereld, zei je.
En we renden de dijk af, heel hard. Mijn knieën gleden groen door vochtig gras. Ik gilde, je gaf me de kieteldood en kuste het daarna altijd goed.

Terug in de stad, op de pont, bij je huis. Dat ik hoopte dat ze ons zou zien, jou dan het huis uit zou zetten. En dat je dan wel moest, met mij. Zou je het doen? Voor altijd, wij. Ik denk van niet, ik weet van niet. Het geeft niet.

Laatst een bericht van jou, na lang. Ik schrok niet. Ik weet dat je nog aan me denkt, net als ik nog aan jou denk. Vaak zelfs. Al kwam de wereld tussen ons, met nieuwe liefdes en een kind. Je hebt een tweede nu, een jongen. Ik vraag me af of zijn huid net zo zacht is als de jouwe, zijn ogen net zo blauw.